Je kunt bij de behandeling van Rechters 17-18 en Rechters 19-21 Psalm 11 gebruiken en zingen.
Wat kun je anders doen dan vluchten?
Die laatste hoofdstukken van Rechters – werd jij daar ook zo moedeloos van? Stelen, liegen en bedriegen, afgodendienst, seksuele uitspattingen, geweld en wreedheid, moord en doodslag – alle geboden van God lapten ze aan hun laars. Zit daar nou nog iets bij waar je als christen door bemoedigd wordt?
Stel dat jij in die tijd leefde. Jij hebt de HEER leren kennen, als de God die jouw voorouders naar dit goede land Kanaän gebracht heeft. Je hebt Hem lief en wilt Hem eren in jouw manier van leven. Maar de mensen om je heen hebben wel wat anders aan hun hoofd. Zij noemen de naam van God nog wel, maar zonder veel eerbied. Zijn geboden? Ieder doet wat in zijn eigen ogen goed is (Rechters 21:25). Nou ja, de meesten vonden die groepsverkrachting in Gibea (Rechters 20-21) toch ook echt niet kunnen.
Een tijdje leek er iets van de oude eerbied voor God terug te komen. God had een rechter gegeven, die de vreemde overheersers het land uitjoeg en ook de rechtspraak weer regelde. Maar na zijn dood is het meteen weer hollend achteruit gegaan. En als zo de grond onder alles wegzinkt[1], wat kun je dan beter doen dan een veilig heenkomen zoeken? “Vogel, vlieg weg naar de bergen!”
David
Ook David, de dichter van Psalm 11, kent dat. Hij heeft meer dan eens moeten vluchten. Voor Saul, voor Absalom. Het onrecht had het gewonnen tot in het paleis en de rechtzaal.
Toch zegt hij hier niet dat je er in zo’n geval dus altijd maar zo gauw mogelijk vandoor moet gaan. Hij verwerpt die conclusie juist. Hij belijdt: “Schuilen doe ik bij de HEER”.
Zie je dat dit de hele situatie vanaf het begin in een ander perspectief zet? Wég paniek. Geen overhaaste vlucht. Als jij bij de HEER schuilt, kan de vijand je heus niet zomaar onderuit halen. Die vijand mag zélf wel uitkijken! Want God is de grote Koning van hemel en aarde. Hij let heel goed op wat de mensen doen. Hij kijkt dwars door hen heen. En wee hen die ’geweld liefhebben’! Vuur en zwavel zal Hij op hen laten regenen.[2] Een verzengende woestijnwind schroeit hen weg. Maar de oprechte (niet iemand die geen zonde doet, maar iemand die de HEER eert en zuiver voor Hem wil leven) mag ‘zijn gelaat aanschouwen’[3].
Boaz
Eén van die oprechten in de tijd van de Rechters is Boaz. Zijn moeder (of grootmoeder) was Rachab, een heidense vrouw, die haar toevlucht zocht bij de God van Israël[4]. Je leest over hem in het boek Ruth. Dat boekje begint met een hongersnood. Straf van God omdat Israël niet naar Gods geboden leefde. Elimelech vluchtte met Naomi en zijn zonen het land uit. Dat betekende tegelijk: bij God vandaan. Boaz was gebleven. Liever honger met Gods volk dan een volle maag bij de heidenen! In hoofdstuk 2 is er weer volop koren. Maar ook dan valt hij op. In de manier waarop hij zijn personeel begroet. En in de manier waarop hij de arme vreemdelinge Ruth behandelt. Helemaal volgens Gods geboden, niet zuinigjes omdat het nu eenmaal moet maar royaal en hartelijk. Echt een oprechte Israëliet! En hij prijst Ruth. Waarom? Omdat zij onder Gods vleugels is komen schuilen. Je hoort in die woorden al de stem van hun achterkleinzoon David.
Jij
En nu jij. In onze tijd vol sociaal en ander onrecht, vol dwaling en ongeloof en haat tegen God. Wat ga je doen? Vluchten, wegduiken, een veilig plekje zoeken? Niet vluchten?
Ga om te beginnen maar net als David schuilen bij de HEER. Bij Hem ben je veilig. De Here Jezus is onze Koning in de hemel, aan de rechterhand van zijn Vader. Hij heeft alles onder controle. En Hij zal het je wel duidelijk maken: of je op de plaats die de HEER je geeft aan het werk kunt blijven, onbevreesd, ook al zegt iedereen dat het niks is of op niets zal uitlopen. Of dat je beter kunt vertrekken, al is het misschien maar tijdelijk.
In elk geval: geen paniek. Blijf luisteren (bijbellezen) en contact houden met Hem (bidden), samen met mensen die Hem kennen en eren (oprechten). Zó ben je in alle omstandigheden veilig. En zó kom je bij Hem thuis.
